(iets behoort iemand toe)
Dit is de fiets van mijn broer.
Het boek van de leraar ligt op tafel.
Die auto is van mijn buurman.
De sleutels van het kantoor liggen in de la.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(een werk is gemaakt door iemand)
Dit schilderij is van Vincent van Gogh.
De meubels zijn van een lokale ontwerper.
De muziek is van een jonge Nederlandse componist.
Deze mooie kast is van een timmerman uit Limburg.
(de uitvoerder van een handeling wordt genoemd)
De brief is geschreven van de directeur.
De foto is gemaakt van een professionele fotograaf.
Het plan werd goedgekeurd van de hele commissie.
(iets duurt een bepaalde tijd)
Van oktober tot maart is het hier koud.
De tentoonstelling is open van 10 tot 18 uur.
De cursus loopt van januari tot en met juni.
We hebben pauze van twaalf tot één uur.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.