Woordenlijst

The most common Dutch words, ranked by how often they appear in everyday language. Based on the SUBTLEX-NL corpus β€” 44 million words of Dutch film and television subtitles.

1–50 of 411 words

Top 100 β€” the building blocks of Dutch
1ikn. β€” versterkte dijk
2jepron. β€” your (singular)
3hetpron. β€” derde persoon enkelvoud
4depron. β€” bepaald lidwoord
5datpron. β€” aanwijzend voornaamwoord
6eenn. β€” voorbeeld van een
7watn. β€” een wat
8zen. β€” naam van de Huns
9maarv. β€” verwaarloos
10opprep. β€” voorzetsel van plaats
11zijnn. β€” essentie zijn
12men. β€” versterkte dijk
13diepron. β€” betrekkelijk voornaamwoord
14voorn. β€” een voorkant
15alsn. β€” afkorting voor ALS
16wasn. β€” essentie zijn
17hieradv. β€” op deze plek
18jijpron. β€” your (singular)
19dann. β€” muziekritme
20welv. β€” bovenkomen opzwellen
21nogadv. β€” nog meer additioneel
22wiln. β€” de wens of behoefte
23zosymbool voor zo
24aanprep. β€” voornaamwoordelijk
25goedn. β€” een goed ding
26hebbenn. β€” bezit of eigendom
27hoeadv. β€” op welke manier
28waarv. β€” verleden tijd van zijn
29nun. β€” het actuele moment
30haarn. β€” naam van de Huns
31uitv. β€” uitdrukken of vertellen
32ookadv. β€” ook ook
33doenn. β€” acties of dagen
34gaann. β€” fysieke toestand
35mijn. β€” versterkte dijk
36alvraagteken of symbool
37ietspron. β€” onbepaald voorwerp
38waaromn. β€” vraagwoord
39laatn. β€” een tijd of periode
40wiepron. β€” welke persoon
41moetenn. β€” moetige persoon
42dezepron. β€” dit die bijvoeglijk
43kunnenn. β€” vermogen of capaciteit
44joupron. β€” your (singular)
45tochadv. β€” desondanks
46echtv. β€” handeling van het echt zijn
47zienv. β€” iets waarnemen
48wegn. β€” afstand naar huis
49alleenadv. β€” zonder anderen
50meen. β€” de bijlage bij iets