Ik wil graag leren aansnorren.
De hond is aansnorrend tijdens het spelen.
Ik zie een aansnorrende kat in de tuin.
De taak is ondertussen aangesnord.
ik
Ik aansnor elke dag met mijn vriend.
jij / je
Jij aansnor met de anderen in de groep.
u
U aansnor met plezier.
hij
Hij snort vrolijk naar de muziek.
zij / ze
Zij snort als een trein als ze lacht.
het
Het snort vrolijk zoals een motor.
wij / we
Wij aansnorren samen in de pauze.
jullie
Jullie aansnorren de hele dag door.
Ik aansnorde gisteren heel hard.
Jij aansnorde tijdens de film.
U aansnorde tijdens het eten.
Hij aansnorde ongemerkt.
Zij aansnorden samen met haar vriendinnen.
Het aansnorde niet meer na de reparatie.
Wij aansnorden voorzichtig tijdens de training.
Jullie aansnorden vorige week.
Ik hoop dat je aansnorre in de competitie.
Snorre aan, laten we beginnen!
Snor aan, kom hier!