Ik wil aarden in de natuur.
De bomen staan aardend in de zon.
De aardende stroom van energie is belangrijk.
ik
Ik aard in mijn tuin.
jij / je
Jij aarden als je in het park bent.
u
U aardt weer vlug.
hij, zij / ze, het
Hij aardt met de aandacht van de mensen.
wij / we
Wij aarden samen in de klas.
jullie
Jullie aarden met de groep.
Ik aardde op de juiste manier.
Jij aardde gisteren nog.
U aardde heel goed in het verleden.
Hij aardde bij het project.
Wij aardden samen tijdens het evenement.
Jullie aardden vroeger goed.
De aarde is geaard in het systeem.
Moge je aarde in weldadigheid vinden.
Aard goed met de andere.
Aardt nu met de juiste snelheid.