Ik wil leren aarden met klei.
ik
Ik aard de klei goed voor het gebruik.
jij / je, u
Jij aardt de houtskool voor het vuur.
hij, zij / ze, het
Hij aardt de aarde met zijn handen.
wij / we, jullie
Wij aarden de potten in de workshop.
ik, hij, zij / ze, het
Ik aardde de klei voordat ik begon te draaien.
wij / we, jullie, u
Jullie aardden de grond voor de tuin.
De aarde is al geaard voor de cursus begon.
De aardend kunstenaar maakt prachtige beelden.
Moge de aarde vruchtbaar zijn.
Aard de klei goed!
Aardt de grond voordat je plant!