NEDERLANDS
🇬🇧

Afliggen

VerbB2

Auxiliary verb

hebben

onregelmatig werkwoord, scheidbaar werkwoord

Het werkwoord 'afliggen' wordt vaak gebruikt om aan te geven dat iemand languit ligt, meestal in een ontspannen of vermoeide houding. Het kan ook een negatieve connotatie hebben, zoals luiheid of gebrek aan activiteit.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

  • ik

  • jij / je

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik lig af op de bank omdat ik hoofdpijn heb.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Gisteren lag ik af op het strand en las een boek.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Heb je de hele dag afgelegen?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Lig niet zo af, ga iets doen!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.