NEDERLANDS
🇬🇧

Afleggen

Verb

Auxiliary verb

hebben

overgankelijk werkwoord

'Afleggen' wordt vaak gebruikt in formele contexten, zoals het afleggen van een verklaring, examen, eed of belofte. Het kan ook betekenen 'afstand afleggen' in de zin van reizen.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik moet morgen een examen afleggen.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hij heeft gisteren een verklaring afgelegd.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij legde vorige week een getuigenis af.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Leg die verklaring nu meteen af!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Het is belangrijk dat hij de eed aflegt.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.