Infinitief Ik leer hoe ik kan afstemmen op de behoeften van mijn studenten.
Tegenwoordig deelwoord De afstemmende communicatie is essentieel in een team.
Ze is afstemmende tussen verschillende projecten.
Voltooid deelwoord De plannen zijn afgestemd op de wensen van de klant.
Tegenwoordige tijd ik
Ik stem af op jouw voorkeuren.
jij / je
Jij stemt meestal af op de uitzendingen die ik niet leuk vind.
u
U stemt af op de juiste frequentie voor de radio.
hij
Hij stemt af met zijn collega’s over het project.
zij / ze
Zij stemt af op de wensen van haar klanten.
het
Het systeem stemt automatisch af op de prestaties.
wij / we
Wij stemmen af op elkaar tijdens de vergadering.
jullie
Jullie stemmen af op de laatste details.
Verleden tijd ik
Ik stemde af op de beste optie tijdens de presentatie.
jij / je
Jij stemde toen af met het team over de strategie.
u
U stemde eerder af met de projectleider.
hij
Hij stemde af voor het belangrijke overleg.
zij / ze
Zij stemde af met de betrokken partijen voordat ze begonnen.
het
Het apparaat stemde af op de juiste frequentie.
wij / we
Wij stemden af over de doelstellingen voor het project.
jullie
Jullie stemden af om samen te werken aan de dataverzameling.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat jij afstemme op de situatie zoals hij is.
Laten we geven een duidelijk doel, stemme af wat we willen bereiken.
Gebiedende wijs Stem af op de juiste zender voor het nieuws.
This dictionary is AI-generated — the only complete Dutch learner's dictionary of its kind. I'm currently updating to the latest AI models, so you may spot the occasional mistake. If something looks off, trust your instincts.