Ik heb de verklaring willen afvragen.
Zij is afvragend naar de oorzaken van het probleem.
De afvragende houding van de student is goed voor zijn leerproces.
ik
Ik vraag me af wat er aan de hand is.
jij / je, u
Vraag jij je af waarom hij dit doet?
hij, zij / ze, het
Hij vraagt zich af hoe laat het is.
wij / we
Wij vragen ons af wat de toekomst brengt.
jullie
Vragen jullie af waar het feest is?
Jij vraagt je af of het gaat regenen.
Wij vragen af wat we morgen gaan doen.
Ik vroeg me af waarom hij zo laat was.
Vraag jij je af waar hij is geweest?
Hij vroeg zich af hoe hij het moest oplossen.
Wij vroegen ons af wat er aan de hand was.
Vroegen jullie af wat de reden was?
Ik vroeg af waarom ze dat deed.
Zij vroeg zich af hoe ze het kon doen.
Ik heb het al afgevraagd.
Ik hoop dat je je afvrage over dit onderwerp.
Moge hij zich afvrage over de juiste oplossing.
Vraag af wat je wilt weten.