NEDERLANDS
🇬🇧

Aprillen

Verb

Auxiliary verb

hebben

onovergankelijk, informeel, seizoensgebonden (1 april)

Het werkwoord 'aprillen' wordt voornamelijk gebruikt in de context van grappen maken of iemand voor de gek houden op 1 april. Het is een informeel werkwoord en wordt niet in formele teksten gebruikt.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik april mijn collega’s elk jaar met een gekke e-mail.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Vorig jaar heb ik mijn moeder geaprild met een neptelefoontje van de koning.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als hij weer aprilt, trap ik er niet meer in!

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Men hoopt dat hij dit jaar niet aprille, want vorig jaar was het een chaos.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.