NEDERLANDS
🇬🇧

Badgen

Verb

Auxiliary verb

hebben

zwak werkwoord, regelmatig (met enkele spellingvarianten in de verleden tijd)

Het werkwoord 'badgen' wordt voornamelijk gebruikt in de context van elektronische toegangssystemen, zoals het scannen van een pasje of identificatiebewijs om toegang te krijgen tot een gebouw of ruimte.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik badge mijn pasje elke ochtend bij de receptie.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Heb je je pasje al gebadged?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als je je pasje niet badget, kun je niet naar binnen.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Gisteren badgede ik mijn pasje drie keer omdat de scanner niet werkte.

    verleden tijd, aantonende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.