Ik wil baren.
De vrouw is barend.
De barende vrouw ziet er moe uit.
Zij heeft gebaard.
ik
Ik baar een kind.
jij / je
Jij baart veel vreugde.
u
U baart zorgen met uw gedrag.
hij
Hij baart een kind.
zij / ze
Zij baart veel liefde.
het
Het baart twijfels.
wij / we
Wij baren een nieuw project.
jullie
Jullie baren veel vragen.
Ik baarde in ziekenhuis.
Jij baarde een prachtig kind.
U baarde een kind.
Hij baarde met veel pijn.
Zij baarde thuis.
Het baarde problemen.
Wij baarden gisteren.
Jullie baarden elkaars kinderen.
Zij baarden als groep.
Als ik maar bare de tijd om te oefenen.
Baar die ideeën!
Baart de waarheid!