Het is goed om anderen te baten met je hulp.
ik
Ik baat altijd anderen bij hun problemen.
jij / je
Baat jij je vrienden met advies?
u
Baat u zichzelf door goed te eten?
hij, zij / ze, het
Hij baat zijn familie met goed advies.
wij / we
Wij baten de gemeenschap door vrijwilligerswerk te doen.
jullie
Jullie baten iedereen met positieve energie.
Ik baatte haar met verstandige raad vorige week.
Baatte jij hem ten tijde van zijn nood?
Baatte u ooit iemand in het verleden?
hij
Hij baatte de werknemers met veel geduld.
zij / ze
Zij baatte hun vrienden tijdens de crisis.
het
Het baatte niet om te blijven aandringen.
Wij baatten de buurtbewoners met goede bedoelingen.
Jullie baatten je klasgenoten met goede uitleg.
Zij baatten elkaar met goede tips.
Batend georganiseerd alles, kon hij het team goed leiden.
De batende hand gewerkt hard voor de families.
Hij is gebaat met goede begeleiding in zijn studie.
Baat de mensen om hen heen!
Ik hoop dat hij bate wat hij verdient.