Ik moet leren hoe ik anderen kan bejegenen met respect.
Hij is een bejegenend persoon, die altijd vriendelijk is.
De bejegenende leerlingen hielpen hun medestudenten.
ik
Als ik hem zie, bejegen ik hem altijd vriendelijk.
jij / je
Jij bejegen vaak mensen met een glimlach.
u
U bejegen de gasten altijd met veel respect.
hij
Hij bejegen zijn collega's met vriendelijkheid.
zij / ze
Zij bejegen iedereen met een open houding.
het
Het bejegen van anderen is belangrijk.
wij / we
Wij bejegen onze vrienden altijd eerlijk.
jullie
Jullie bejegen de teamleden heel aardig.
Gisteren bejegende ik de nieuwkomers met open armen.
Jij bejegende hem altijd goed, dat vergeten we niet.
U bejegende de bezoekers zeer gastvrij.
Hij bejegende zijn vrienden met aandacht.
Zij bejegende haar leerlingen altijd met geduld.
Wij bejegenden de bezoekers samen met enthousiasme.
Jullie bejegenden de nieuwe medewerkers heel vriendelijk.
Ik heb altijd iedereen bejegend met respect.
Moge hij elke persoon met vriendelijkheid bejegene.
Bejegen de gasten altijd met respect!