Ik wil leren hoe ik mensen kan beschaven.
De beschavende invloed van de cultuur is belangrijk.
De beschavende lessen zijn nuttig voor jongere generaties.
ik
Ik beschaaf mijn vrienden met goede manieren.
jij / je
Jij beschaaft mensen door ze te respecteren.
u
U beschaaft het publiek met uw woorden.
hij
Hij beschaaft zijn gedrag in het openbaar.
zij / ze
Zij beschaaft haar kennissen met vriendelijk gedrag.
het
Het beschaaft de omgeving door oplettend te zijn.
wij / we
Wij beschaffen een goede sfeer op het werk.
jullie
Jullie beschaffen de tijd voor de training.
Ik beschaafde de gesprekken vroeger altijd.
Jij beschaafde de situatie met een voorbeeld.
U beschaafde de discussies met uw inbreng.
Hij beschaafde de menigte met zijn toespraak.
Zij beschaafden de kinderen met verhalen.
Het beschaafde de aanpak in het project.
Wij beschaafden onze manier van leven in die tijd.
Jullie beschaafden de oude gewoontes.
Zij zijn beschaafd in hun gedrag.
Beschaaf je houding als je spreekt met anderen!
Beschaaft de kinderen goed voordat ze naar school gaan!
Moge jij beschaafde gesprekken voeren.