Ik wil het zout bestrooien over mijn eten.
De chef is de gerechten bestrooiend met verse kruiden.
ik
Ik bestrooi het deeg met bloem.
jij / je
Jij bestrooit de salade met olie.
u
U bestrooit de taart met poedersuiker.
hij
Hij bestrooit de bloemen met zaad.
zij / ze
Zij bestrooit de koffer met stickers.
het
Het regenachtige weer bestrooit de straten met plassen.
wij / we
Wij bestrooien de pizza met kaas.
jullie
Jullie bestrooien de bloemen met mest.
Ik bestrooide de cake met chocolade.
Jij bestrooide de plant met water.
U bestrooide de tafel met confetti voor het feest.
Hij bestrooide de vissen met voer.
Zij bestrooide de vloer met zaagsel.
Het dieet bestrooide zijn maaltijden met groenten.
Wij bestrooiden de barbecue met kruiden.
Jullie bestrooiden de zandbak met speeltjes.
De groenten zijn bestrooid met zout.
Ik hoop dat jullie de taart bestrooie met glazuur.
Bestrooi de groenten met kruiden voor het bakken!