NEDERLANDS
🇬🇧

Betreden

Verb

Auxiliary verb

hebben

overgankelijk werkwoord (iets of iemand betreden)

Het werkwoord 'betreden' wordt vaak gebruikt in formele contexten, zoals het betreden van gebouwen, terreinen of ruimtes waar toegang gereguleerd is.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik betreed elke dag met plezier mijn werkplek.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hij betrad de zaal en voelde meteen de spanning.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Het is belangrijk dat u het terrein niet zonder begeleiding betreedt.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

  • Betreed de ruimte pas als je naam wordt afgeroepen.

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Zij hebben het verboden gebied betreden en zijn gearresteerd.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.