Ik wil goed bijpassen in mijn nieuwe omgeving.
Het bijpassend kledingstuk maakt je outfit compleet.
Zij draagt bijpassende schoenen bij haar jurk.
Ze heeft haar kledingstijl goed bijgepast.
ik
Ik bijpas goed bij het team.
jij / je
Jij kan goed bijpassen in deze groep.
u
U past goed bij onze club.
hij
Hij past goed bij de sfeer van het evenement.
zij / ze
Zij past prima bij de rest van het team.
het
Het jasje past bij de broek.
wij / we
Wij passen goed bij elkaar in dit project.
jullie
Jullie passen goed bij de nieuwe styles.
Ik bijpaste eerder niet goed bij de situatie.
Jij paste goed bij de groep tijdens het werk.
U paste uitstekend bij de ideeën die werden gepresenteerd.
Hij paste niet goed bij de feeststemming.
Zij paste perfect bij de dresscode van het evenement.
Het ontwerp paste bij de wensen van de klant.
Wij bijpasten in onze kleuren voor de presentatie.
Jullie bijpasten in de drie kleuren die we nodig hadden.
Pas bij de stijl die je wilt laten zien!
Past bij alles wat we doen in ons project.
Ik hoop dat hij goed bijpasse.
Zij wenst dat alles passe bij de plannen.