Ik houd ervan om te bitchen over televisieprogramma's.
Zij is bitchend aan de telefoon met haar vriendin.
Hij zag de bitchende groep jonge vrouwen in het café.
ik
Ik bitch meestal over het nieuws.
jij / je, u
Bitch jij ook soms over sports?
hij, zij / ze, het
Hij bitcht vaak over zijn baas.
Ik bitchte vorig jaar veel over de politiek.
Bitchte je toen ook al over die film?
Zij bitchte veel tijdens de lunch.
wij / we, jullie
Wij bitchten samen over de vakantieplannen.
Hij heeft over alles gebitcht wat er verkeerd ging.
Bitch met mij niet over die onderwerpen!
Het is belangrijk dat je niet altijd bitche.