Ik wil graag leren hoe ik kan bitteren.
De steeds bitterende discussie tussen hen is erg moeilijk.
De bitterende ervaring heeft hem veranderd.
De bitterende soep zit vol met kruiden.
ik
Ik bitterde toen ik het nieuws hoorde.
jij / je
Jij bitterde toen je de verklaring las.
hij
Hij bitterde na het verlies van de wedstrijd.
zij / ze
Zij bitterde over haar slechte ervaring.
wij / we
Wij bitterden samen over de verkeerde beslissing.
Ik hoop dat je niet te bittere woorden kiest.
Bitter je niet zonder reden!
Bittert juist je uitspraak!
Hij was gebitterd nadat hij het nieuws hoorde.