Verb

Infinitief

Tegenwoordig deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Gebiedende wijs

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Aanvoegende wijs

Voltooid deelwoord

Examples

  • In de lente bloeiden de bloemen volop in de tuin.

    verleden tijd, neutraal

  • Bij de ingang staan er prachtige bloemen te bloeien.

    tegenwoordige tijd, neutraal

  • Zou het niet mooi zijn als er altijd bloemen bloeime?

    aanvoegende wijs, wens