Ik wil graag bomen planten.
De bomen zijn bomend in het park.
De bomende bomen in de tuin geven schaduw.
Zij bomen rond het huis.
ik
Ik boom in de achtertuin.
jij / je
Jij boomt heel goed.
u
U boomt als een expert.
hij
Hij boomt vandaag.
zij / ze
Zij boomt met haar vrienden.
het
Het boomt goed in het zonlicht.
wij / we
Wij boomt graag samen.
jullie
Jullie boomt goed in het spel.
Ik boomde in de zomer.
Jij boomde dat jaar veel.
U boomde vorig jaar hier.
Hij boomde tijdens de klas.
Zij boomde afgelopen week.
Het boomde sterk in de regen.
Wij boomden samen vorig jaar.
Jullie boomden gisteren.
Zij heeft geboomd in de tuin.
Laten we hopen dat je bome.
Boom die plant nu!