Bomen
VerbInfinitief
Ik wil graag bomen planten.
Tegenwoordig deelwoord
De bomen zijn bomend in het park.
Tegenwoordig deelwoord
De bomende bomen in de tuin geven schaduw.
Tegenwoordig deelwoord
Zij bomen rond het huis.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik boom in de achtertuin.
jij / je
Jij boomt heel goed.
u
U boomt als een expert.
hij
Hij boomt vandaag.
zij / ze
Zij boomt met haar vrienden.
het
Het boomt goed in het zonlicht.
wij / we
Wij boomt graag samen.
jullie
Jullie boomt goed in het spel.
Verleden tijd
ik
Ik boomde in de zomer.
jij / je
Jij boomde dat jaar veel.
u
U boomde vorig jaar hier.
hij
Hij boomde tijdens de klas.
zij / ze
Zij boomde afgelopen week.
het
Het boomde sterk in de regen.
wij / we
Wij boomden samen vorig jaar.
jullie
Jullie boomden gisteren.
Voltooid deelwoord
Zij heeft geboomd in de tuin.
Aanvoegende wijs
Laten we hopen dat je bome.
Gebiedende wijs
Boom die plant nu!