Boomen
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord heeft een positieve connotatie; 'boomen' wordt vaak gebruikt in commerciële en economische contexten.
Infinitief
Het bedrijf wil boomen in de markt.
Tegenwoordig deelwoord
De economie is boomend in deze regio.
De boomende sector trekt veel investeerders aan.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik boom met mijn bedrijf.
jij / je
Jij boomen in de stad is een goed idee.
u
U boomt met uw productlijn.
hij, zij / ze, het
Het bedrijf boomt tegenwoordig flink.
wij / we
Wij boomen samen voor de toekomst.
jullie
Jullie boomen allemaal met jullie creativiteit.
Verleden tijd
ik
Ik boomde eerder met mijn onderneming.
jij / je
Jij boomde ook goed tijdens dat jaar.
u
U boomde in uw jonge jaren.
hij, zij / ze, het
Zij boomde van trots na de overwinning.
wij / we
Wij boomden dat jaar samen.
jullie
Jullie boomden goed vorig jaar.
Aanvoegende wijs
Mag ik dat je boome in je carrière?
Gebiedende wijs
Boom zoveel mogelijk tijdens het event!
Voltooid deelwoord
Wij hebben geboomd in de afgelopen jaren.