Ik wil bossen bij het meer.
De kinderen zijn bossend door het park.
De bossende houthakkers zijn erg vermoeid.
ik, hij, zij / ze, het
Ik boste in de bossen vorige week.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij bosten tijdens hun vakantie.
Wij zijn al gebost voor vandaag.
Bos snel!
Bost dan niet te hard!
Als hij maar bosse mocht.