Ik hou van boteren met vrienden op een zondagochtend.
De kinderen zijn boterend in de keuken.
Hij is aan het boterende met het deeg voor de taart.
ik
Ik boter vaak mijn brood voor school.
jij / je
Jij botert heel goed met haar.
u
U botert goed met de nieuwe collega's.
hij
Hij botert prima met zijn buren.
zij / ze
Zij botert heel goed in het team.
het
Het botert niet tussen die twee.
wij / we
Wij boteren vaak samen tijdens het weekend.
jullie
Jullie boteren leuk in het project.
Ik boterde heel veel in mijn jeugd.
Jij boterde altijd met je klasgenoten.
U boterde ooit heel goed met uw oude vrienden.
Hij boterde vroeger met iedereen.
Zij boterde vaak tijdens haar studietijd.
Het boterde tijdens dat feest niet goed.
Wij boterden gisteravond in de bar.
Jullie boterden destijds als vrienden.
Ik heb de broodjes geboterd voordat ik ze serveerde.
Ik hoop dat jij goed botere met de nieuwe situatie.
Boter de toast voor mij, alsjeblieft!