hebben
werkwoord
brouwen betekent het maken van bier of andere dranken.
Ik wil leren hoe ik bier kan brouwen.
Wanneer het brouwend is, kun je de geur van hop ruiken.
De brouwende actie vond plaats in de tuin.
ik
Ik brouw een speciaal biertje voor de feestdagen.
jij / je, u
Jij brouwt het beste bier in de stad.
wij / we
Wij brouwen samen een nieuwe soort bier.
Ik brouwde vroeger met mijn vrienden.
Jij brouwde dat bier bijna een jaar geleden.
hij, zij / ze, het
Hij brouwde een lekker biertje voor het feestje.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij brouwden samen een grote hoeveelheid bier.
Als je maar goed brouwe, dan komt het allemaal goed.
Brouw een nieuwe batch bier voor het festival!
Brouwt alstublieft een bier voor ons.
Het bier is door mijn vriend gebrouwen.