(iets specifieks aanduiden)
De auto staat op de parkeerplaats.
Ik heb de boek gelezen dat je me hebt aanbevolen.
Heb je de e-mail van de klant al beantwoord?
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(een zelfstandig naamwoord markeren)
De kinderen spelen buiten in de zon.
Ik zie de appel op de tafel liggen.
De bakker op de hoek verkoopt het lekkerste brood van de buurt.
De buurvrouw zwaait elke ochtend naar de kinderen.
Gisteren belde de monteur aan met de onderdelen.
Ik heb de sleutels op de keukentafel gelegd.
Doe de deur even dicht, het tocht hier.
(vaste woordcombinaties en gezegdes)
De tijd vliegt als je plezier hebt.
De beste manieren zijn vaak de eenvoudigste.
De aanhouder wint, blijf gewoon oefenen.
De kogel is door de kerk: we gaan verhuizen naar Utrecht.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.