(deuren, ramen en openingen)
Doe de deur dicht, het tocht hier.
De winkel is op zondag dicht.
Het raam zit niet goed dicht.
De bakker is vandaag de hele dag dicht vanwege een verbouwing.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(afstand en nabijheid)
Hij woont dicht bij het station.
Kom eens wat dichter bij me zitten.
Mijn ouders wonen dichter bij de stad dan wij.
Het hotel ligt dicht bij het strand, dus we kunnen lopen.
(natuur, stoffen en materialen)
We liepen door een dicht bos met hoge bomen.
Deze stof is heel dicht geweven en houdt de wind goed tegen.
Ze heeft heel dicht haar dat moeilijk te kammen is.
Door de dichte mist konden we nauwelijks drie meter ver zien.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.