Ik wil leren dichten.
De dichter zat dichtend aan zijn bureau.
Met dichtende gedachten hoort hij de stilte.
ik
Ik dicht graag poëzie.
jij / je
Jij dicht heel mooi!
u
U dicht met veel gevoel.
hij
Hij dicht in zijn vrije tijd.
zij / ze
Zij dicht over liefde.
het
Het dicht in de achtertuin.
wij / we
Wij dichten samen.
jullie
Jullie dichten met passie.
Ik dichtte vroeger vaak.
Jij dichtte de laatste tijd meer.
U dichtte in uw jeugd.
Hij dichtte een prachtig sonnet.
Zij dichtte volop tijdens het festival.
Het dichtte in het verleden goed.
Wij dichtten samen in de klas.
Jullie dichtten als duo.
Er is een mooi gedicht geschreven.
Ik hoop dat hij dichte bij ons zal zijn.
Dicht het laatste couplet!