Ik ga graag dichten in mijn vrije tijd.
De poƫtische geest zat dichtend aan de oever van de rivier.
De schrijver was dichtende aan een nieuw meesterwerk.
ik
Ik dicht een prachtig gedicht.
jij / je
Jij dicht heel mooi.
u
U dicht met veel gevoel.
hij
Hij dicht over de natuur.
zij / ze
Zij dicht graag over persoonlijke ervaringen.
het
Het kind dicht met veel fantasie.
wij / we
Wij dichten samen in de klas.
jullie
Jullie dichten het mooiste stuk.
Zij dichten verschillende soorten poƫzie.
Ik dichtte een mooi verhaal toen ik jong was.
Jij dichtte dat gedicht tijdens de les.
U dichtte een bijzonder stuk vorige week.
Hij dichtte over de liefde in zijn jeugd.
Zij dichtte elke dag in haar dagboek.
Het kind dichtte een vers voor zijn moeder.
Wij dichtten samen in de groep.
Jullie dichtten tijdens de poƫzieworkshop.
Zij dichtten in verschillende stijlen en genres.
Ik heb een mooi gedicht geschreven.
Dicht nu, dan kunnen we het samen lezen.
Als hij zou dichten, zou hij de mooiste woorden gebruiken.
Hij leest zijn gedichten voor.
present tense, indicative mood