Dokteren
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Begrip in de medische context en vaak in opleiding.
Infinitief
Ik wil dokteren leren.
Tegenwoordig deelwoord
De arts is dokterend in de kamer.
De dokterende student vraagt om hulp.
Tegenwoordig deelwoord
Hij is een dokterend persoon.
Gebiedende wijs
jij / je, u
Dokter, kom snel!
Verleden tijd
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
Gisteren dokterde ik voor de eerste keer.
wij / we, jullie
Zij dokterden samen in het ziekenhuis.
Aanvoegende wijs
Ik hoop dat hij doktere kan worden.
Voltooid deelwoord
Hij heeft al gedokterd in dit ziekenhuis.