NEDERLANDS
🇬🇧

    Doorlaten

    A2commonZipf 3.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de doorlaat

      Common noun/'dorlat/

      enkelvoud

      doorlaat

      meervoud

      doorlaten
    • doorlaten

      Verb/'dorlatən; 'dorlatə/

      infinitief

      doorlaten

      tegenwoordige tijd

      laat doordoorlaatlaten doordoorlaten

      verleden tijd

      liet doordoorlietlieten doordoorlieten

      tegenwoordig deelwoord

      doorlatenddoorlatende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning