Ik wil douwen met mijn vrienden.
Hij is douwend tijdens het spel.
Zij is douwende in de wedstrijd.
Ze heeft net gedouwd voor de wedstrijd.
Hij douwt de deur open.
ik, hij, zij / ze, het
Ik douwde de kist over de grond.
wij / we, jullie
Wij douwden de auto naar de garage.
Douw de deur open!
Douwt niet zo hard!
Ik hoop dat jij douwe in de wedstrijd.