Ik wil leren hoe ik moet echten.
De schrijver is echtend over zijn ervaringen.
Zij is echtende met haar emoties.
ik
Ik echt de waarheid.
jij / je, u
Jij echt de antwoorden.
hij, zij / ze, het
Hij echt de feiten.
wij / we
Wij echt de regels.
jullie
Jullie echt de informatie.
Ze echt de situatie.
Ik echtte de waarheid verleden jaar.
Jij echtte de antwoorden vorige week.
Hij echtte de feiten in het rapport.
Wij echtte de regels tijdens de vergadering.
Jullie echtte de informatie eerder.
Ze echtte de situatie van toen.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Wij echtten de waarheid in de rechtbank.
De beslissing is eindelijk geëcht.
Echt de feiten nu!
Ik hoop dat ze echte informatie heeft.