(dagelijks vervoer in Nederland)
Ik ga elke dag met de fiets naar mijn werk.
Zij heeft een nieuwe fiets gekocht voor haar verjaardag.
Mijn fiets staat voor de deur.
Mijn fiets is vorige week bij het station gestolen.
Heb jij mijn fiets ergens zien staan?
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(kind op zijn eerste fietsje)
Hij heeft een vrolijk fietsje met een bellenblaas erop.
De peuter zit trots op zijn eerste fietsje.
Het fietsje van mijn zoontje is nog een maatje te groot.
(recreatief fietsen in de natuur)
Ze houdt van fietsen in de heuvels tijdens de zomer.
Wij gaan dit weekend fietsen in het park.
Fietsen in de duinen is mijn favoriete hobby.
We hebben het hele weekend gefietst langs de kust.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.