Fileren
VerbAuxiliary Verb
hebben
regelmatig werkwoord
Het woord 'fileren' wordt voornamelijk gebruikt in de context van koken.
Infinitief
Ik wil leren fileren.
Tegenwoordig deelwoord
De kok is filerend vis aan het bereiden.
Het filerende team werkt aan de presentatie.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik fileer de vis zelf.
jij / je, u
Jij fileert de groenten heel fijn.
hij, zij / ze, het
Hij fileert de zalm voor het diner.
wij / we, jullie
Wij fileren de appels voor de taart.
Verleden tijd
ik
Ik fileerde de vis gisteren.
jij / je, u
Jij fileerde de pasta uitstekend.
hij, zij / ze, het
Hij fileerde de kip met zulk gemak.
wij / we, jullie
Wij fileerden de groenten voor de soep.
Voltooid deelwoord
De vis is gefileerd door de chef.
Aanvoegende wijs
Als jij het goed vindt, filere ik de vis.
Gebiedende wijs
Fileer de vis voor het avondeten!
Examples
Ik wil leren fileren.
infinitief, neutral
De kok is filerend vis aan het bereiden.
tegenwoordige deelwoord, neutral
Ik fileer de vis zelf.
tegenwoordige tijd, neutral
Ik fileerde de vis gisteren.
verleden tijd, neutral
De vis is gefileerd door de chef.
voltooid deelwoord, neutral
Als jij het goed vindt, filere ik de vis.
aanvoegende wijs, neutral
Fileer de vis voor het avondeten!
gebiedende wijs, neutral