ik
Ik gebied je om te komen.
jij / je
Jij gebieden ons te luisteren.
u
U gebiedt ons de waarheid te vertellen.
hij, zij / ze, het
Hij gebiedt de honden om stil te zijn.
wij / we
Wij gebieden jullie om te stoppen.
jullie
Jullie gebieden ons om te wachten.
Gebied de kinderen om te luisteren.
Ik hoop dat jij gebiede om je huiswerk te maken.
Het is belangrijk om te gebieden.
De gebiedend man vroeg om stilte.
De gebiedende toon ging niet verloren.
Hij had ons geboden te zwijgen.
Zij gebood de kinderen om naar huis te gaan.
Hij heeft ons altijd geboden om eerlijk te zijn.