Geit
degeit
Common nounherkauwend dier; ook: vlees van dit dier
dier
Een zoogdier met horens dat vaak op een boerderij leeft; het eet gras en bladeren.
De geit staat in de wei en eet gras.
vlees
Het vlees van een geit, dat als eten wordt geserveerd.
Op het menu staat geit als hoofdgerecht.
geitenkaasgeitenmelkgeitenstalgeitenhouderijdegeit
Common nounvrouwelijk geitdier; informeel: vrouw of meisje; bijnaam voor auto
dier
Het vrouwelijke dier van de geit; soms ook het vrouwtje van een ree.
De geit staat in de wei.
informeel (persoon)
Informele, vaak kwetsende naam voor een vrouw of meisje.
Hij noemde haar een geit en dat vond ze pijnlijk.
informeel (auto)
Bijnaam voor de Citroën 2CV (deux-chevaux).
Onze opa rijdt nog in een geit, zijn oude Citroën 2CV.
geitenkaasgeitenmelkgeitenstalgeitenboerderijgeitenhouderijgeien
Verbmet een stok een boot voortduwen; water pompen/scheppen
boot voortduwen
Een boot (of kano) voortduwen door met een lange stok tegen de bodem te duwen.
Hij geit met een lange stok de kano over het ondiepe water.
water pompen/scheppen
Water uit een sloot of kuil scheppen of pompen, bijvoorbeeld met een emmer of pomp.
Gisteren geiden ze met een emmer water uit de sloot.
de boot geienkano geienmet een stok geienwater geiensloot geiengeiten
Verbgeluid maken als een geit
dierengeluid
Het geluid maken dat geiten maken; een intransitief werkwoord voor dieren.
De geiten geiten in de wei als ze honger hebben.