Ik hou van gekken.
Zij is gekkend in haar ideeëen.
De gekkende mensen lachen hard.
ik
Ik ben gek.
jij / je
Jij bent gek.
u
U bent gek.
hij
Hij is gek.
zij / ze
Zij is gek.
het
Het is gek.
wij / we
Wij zijn gek.
jullie
Jullie zijn gek.
Ik gekte gisteravond.
Jij gekte eerder vandaag.
U gekte afgelopen week.
Hij gekte in de klas.
Zij gekte op het feest.
Het gekte niet vaak.
Wij gekte samen.
Jullie gekte toen het regende.
Zij gekten als vrienden.
Hij is gegekt tijdens de vergadering.
Als ik maar een gekke kon zijn.
Wees gek!