De twee schilderijen lijken te gelijken.
Hij is een gelijkend voorbeeld voor velen.
De gelijkende beelden werden mooi tentoongesteld.
ik
Ik gelijk het plan aan de werkelijkheid.
jij / je, u
Jij gelijk het product aan de foto.
hij
Hij gelijk het probleem met de manager.
zij / ze
Zij gelijk het verslag aan de richtlijnen.
het
Het gelijk de situatie niet meer aan.
wij / we
Wij gelijken het nu met de vorige situatie.
jullie
Jullie gelijken veel op elkaar.
Ik leek veel op mijn vader toen ik jonger was.
Jij leek verdacht veel op die acteur.
Hij leek de enige te zijn die het probleem begreep.
Zij leek eerder meer geïnteresseerd.
Het leek wel een droom.
Wij leken eerder vrienden.
Jullie leken op haar ouders.
Ze zijn altijd veel geleken.
Het is belangrijk dat iedereen gelijke kansen krijgt.
Gelijk aan het model, moet het ontwerp zijn.