Infinitief Hij probeert de toets te slagen.
Tegenwoordige tijd ik
Ik slaag altijd voor mijn toetsen.
jij / je, u
Jij slaagt vast met je hard werken.
hij, zij / ze, het
Zij slaagt binnenkort voor haar examen.
wij / we, jullie
Wij slagen samen voor dit project.
Verleden tijd ik
Ik slaagde vorig jaar voor mijn diploma.
jij / je, u
Jij slaagde voor de uitbraak van de brand.
hij, zij / ze, het
Hij slaagde niet in zijn poging.
wij / we, jullie
Wij slaagden samen in onze zoektocht.
Voltooid deelwoord Zij is geslaagd voor het examen.
Tegenwoordig deelwoord Zij is slagend in het project.
De slagende leerlingen hebben de toets goed gemaakt.
Gebiedende wijs jij / je
Slaag hiervoor, het is belangrijk!
u
Slaagt u hierin, dan is het goed.
Aanvoegende wijs Moge hij slage in zijn streven.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.