Ik weet niet hoe je de handen moet wassen.
ik
Ik hand een boek.
jij / je
Jij handt de deur open.
u
U handt de leerlingen met respect.
hij, zij / ze, het
Hij handt zijn nieuwe fiets goed vast.
wij / we, jullie
Wij handen altijd bij op de les.
Ik handde een brief naar jou.
Jij handde de boodschap aan mij.
U handde het rapport tijdig in.
Zij handden een uniek plan.
wij / we
Wij handden de sleutel tijdens de vergadering.
jullie
Jullie handden de taken goed.
De taken zijn gehand door alle medewerkers.
Handend aan het project, maakte hij grote vooruitgang.
De handende jongere liet zijn talenten zien.
Moge je altijd goed hande tijdens moeilijke tijden.
Hand het pakket aan mij.
Handt de documenten in voor vrijdag.