hebben
werkwoord
Toont aan dat een actie resulteert in iets dat beschadigd of verminkt is.
Ik wil leren hoe ik kan havenen.
De havenend schip is klaar voor vertrek.
De havenende schepen liggen aan de kade.
Het schip is gehavend door de storm.
ik
Ik haven het schip elke ochtend.
jij / je
Jij havenen het schip heel goed.
u
U haven het schip nu.
hij
Hij haven een mooi schip.
zij / ze
Zij haven vaak in deze haven.
het
Het haven nu rustig.
wij / we
Wij haven samen een schip.
jullie
Jullie haven goed werk geleverd.
Ik havende in de haven gisteren.
Jij havenden een goed schip in de wedstrijd.
Laat ons hopelijk haven.
Haven het schip goed!