Heien
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord 'heien' betekent het heien van palen in de grond.
Infinitief
Ik wil leren heien.
Tegenwoordig deelwoord
De heiend achtergrond was prachtig.
De heiende boom werd gekapt.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik hei met mijn vrienden.
jij / je, u
Jij heist de vlag op de toren.
hij, zij / ze, het
Hijheit de hypotheek zelf.
wij / we, jullie
Wij heien om de hekken te bouwen.
Verleden tijd
ik
Ik heide de tuin voor de winter.
jij / je, u
Jij heide de muren een week geleden.
hij, zij / ze, het
Hij heide de vloer vorig jaar.
wij / we, jullie
Wij heiden het project afgelopen zomer.
Voltooid deelwoord
Het is geheid dat hij komt.
Aanvoegende wijs
Laat hij maar heie zoals hij wil.
Gebiedende wijs
Hei de vloer alsjeblieft.