(sprookjes, kinderverhalen en fantasiefilms)
De heks in het sprookje vliegt op een bezem door de lucht.
Diep in het bos woont een boze heks in een klein huisje.
De heks roert met een grote lepel in haar ketel.
Er was eens een heks die in een snoephuisje woonde.
De heksen in het boek kunnen dieren in stenen veranderen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(iemand op een kwade manier over een vrouw laten spreken)
Die oude heks van hiernaast wil onze bal niet teruggeven.
Noem je moeder geen heks, dat is echt niet aardig.
Mijn zus noemde me een heks toen ik haar speelgoed afpakte.
Wat een heks is die vrouw bij de kassa!
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.