NEDERLANDS
🇬🇧

Huppen

Verb

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord

Het werkwoord 'huppen' wordt vaak gebruikt om een speelse, lichte of vrolijke beweging te beschrijven, zoals springen op één been of kleine sprongetjes maken.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik hup elke dag om fit te blijven.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hupte je vroeger ook zo vaak?

    verleden tijd, aantonende wijs

  • We hebben gisteren veel gehupt in het park.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hup, ga door met huppen!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Het is leuk dat jullie samen huppen.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.