Ik wil inzitten in deze vergadering.
ik
Ik zit in de les.
jij / je
Jij zit in de auto.
u
U zit in de vergadering.
hij
Hij zit in het park.
zij / ze
Zij zit in de bibliotheek.
het
Het boek zit in de tas.
wij / we
Wij zitten in de trein.
jullie
Jullie zitten in de klas.
Ik zat in de wachtkamer.
Jij zat in de les.
U zat in de vergadering.
Hij zat in het café.
Zij zat in de keuken.
Wij zaten in het vliegtuig.
Jullie zaten in de auto.
Zij zaten in het publiek.
Hij heeft veel ingezeten tijdens zijn studie.
De inzittende van de auto was erg moe.
De inzittende wachtte geduldig.
Ik hoop dat hij inzitte in deze discussie.
Zij wil dat hij zitte in de vergadering.
Zit in de kring, alsjeblieft!