Ik hou van jachten in de bossen.
De hertog loopt jachtend door het bos.
De jachtende honden volgen het spoor.
Er is veel gejaagd in dit gebied.
ik
Ik jacht altijd in het weekend.
jij / je, u
Jij jacht in de vroege ochtend.
hij, zij / ze, het
Hij jacht op wilde dieren.
wij / we
Wij jachten samen in de bossen.
jullie
Jullie jachten met ons.
Zij jachten elke herfst.
Ik jachtte vroeger vaak op vogels.
Jij jachtte vorig jaar.
Hij jachtte de hele dag.
Wij jachtten samen vorige zomer.
Jullie jachtten samen met ons vroeger.
Zij jachtten altijd aan het eind van de herfst.
Als ik maar jachte in de natuur.
Jacht op de schatten!