NEDERLANDS
🇬🇧

Kapotmaken

VerbA2

Auxiliary verb

hebben

Scheidbaar werkwoord, regelmatig (met uitzondering van de scheiding in sommige tijden).

Het werkwoord 'kapotmaken' betekent iets beschadigen of onbruikbaar maken, vaak door onvoorzichtigheid of opzet.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie

Gebiedende wijs

Examples

  • Ik maak mijn huiswerk niet kapot, ik doe het gewoon niet.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Heb je de televisie kapotgemaakt?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als je zo doorgaat, maak je alles kapot!

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij maakte haar kansen op promotie kapot door te laat te komen.

    verleden tijd, aantonende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.