Ik wil graag leren hoe ik moet kassen.
De kassier is kassend terwijl de klanten in de rij staan.
De kassende werknemers zijn altijd vriendelijk tegen de klanten.
De boodschappen zijn al gekast voordat ik aankwam.
Hij is kassend aan de kassa van de supermarkt.
ik
Ik kaste de klanten met plezier.
jij / je, u
Jij kaste de producten snel.
hij, zij / ze, het
Hij kaste de spullen op de juiste manier.
wij / we, jullie
Wij kasten alle artikelen gisteren.
Kas de boodschappen alsjeblieft!
Kast de artikelen voor meer klanten.
Als ik een kassier was, kasse ik elke dag.